Van je vrouw kan je scheiden, van Feyenoord niet.

Feyenoord bestaat dit jaar honderd jaar. Dat wordt gevierd met onder meer twee musicals, een expositie en een wandelroute. En veel boeken.

Gebalde vuisten, luidkeelse aanmoedigingen en spontaan gezang. Het is zaterdagavond even wennen in theater Zuidplein bij de musical Hand in Hand. „Niets is sterker dan dat ene woord: Fe-ye-nòòrd”, luidt een van de zinnen uit het openingslied, en daarmee is niets te veel gezegd. Hartstochtelijk laaft het niet-alledaagse publiek zich aan diepgewortelde liefde die Feyenoord heet.

Over exact honderd dagen (19 juli) viert de volksclub uit Rotterdam-Zuid het honderdjarige bestaan, maar het eeuwfeest van Nederlands grootste – op basis van de supportersaantallen – voetbalclub werpt zijn schaduw vooruit. Twee weken geleden ging Hand in Hand in première, vrijdag volgde de opening van het Feyenoordpad, een wandelroute langs de historische plekken in de geboorteplaats van de club, in de deelgemeente Feijenoord. Een dag later volgde de opening van de tentoonstelling Feyenoord 100 jaar in het Schielandshuis. Volgende maand gaat bij het Hofpleintheater een andere musical in première, Feyenoord Forever. Daarnaast verschenen de afgelopen maanden tal van boeken, waaronder Hand in hand kameraden van historicus Jan Oudenaarden.

Sportief gezien beleeft de arbeidersclub dit seizoen een teleurstellende jaargang, die in vrijwel niets onderdoet voor het als ‘rampjaar’ betitelde seizoen 2006-2007. Des te groter is, zo lijkt het, het enthousiasme voor alle festiviteiten, die hun apotheose officieel beleven op de ‘heilige’ 19 juli. Maar in de wandelgangen geldt de bekerfinale, op 27 april in de eigen Kuip tegen Roda JC, als het officieuze hoogtepunt, die de ploeg alsnog naar het stadhuis aan de Coolsingel moet brengen. Zodat ook voor afzwaaiend burgemeester Ivo Opstelten de cirkel rond is: drie maanden na zijn aantreden, in februari 1999, huldigde hij Feyenoord voor het behalen van de veertiende en tot op heden laatste landstitel.

Hand in Hand, een verwijzing naar het beroemde clublied, is een ode aan de roemrijke geschiedenis van de ‘havenclub’, die een centrale rol speelt in veel families. Behalve professionele acteurs spelen ook amateurs mee in de co-productie van onder meer het Rotterdams Wijktheater en Codarts Hogeschool voor de Kunsten. Muziek, zang en dans worden afgewisseld met bij vlagen hilarische dialogen tussen twee supporters. Vanzelfsprekend in sappig Rotterdams.

Wat artistiek leider Peter van den Hurk vooral goed begrepen heeft, is de bijna fatalistische inborst van de gemiddelde Feyenoordsupporter. Hij – of zij – mag zijn club graag afkatten, maar wee diegene die hetzelfde doet.

Een doorgewinterde supporter verwoordde zijn ‘Feyenoordgevoel’ eerder dit seizoen, zittend op de tribune van de Kuip, als volgt: „Van je vrouw kan je scheiden, van Feyenoord niet.” Dat was het probleem. Hoewel? Bezwaarlijk vond hij het niet. „Feyenoord is toch vooral lijden.”

En lijden doen de supporters dit seizoen. Ondanks de komst, afgelopen zomer, van enkele routiniers en een veelbelovende seizoenstart verging het de club van kwaad tot erger. Vanaf het moment, ergens afgelopen najaar, dat trainer Bert van Marwijk vanuit Zeist werd benaderd om ‘de jood’ Marco van Basten op te volgen als bondscoach. Een enkele diehard vermoedt nog altijd een ‘020e samenzwering’.

Maar weinig voetbalclubs zijn zo verankerd in de genen van een stad als Feyenoord in Rotterdam. Was de ‘grote uittocht’, de reis op twee stoomboten naar Lissabon (Benfica) in mei 1963, al een teken dat de in de oorlog platgebombardeerde havenstad weer ademde, toen de club op 6 mei 1970 de Europa Cup I won, was de wederopbouw voltooid. Rotterdam stond weer op de kaart, zowel letterlijk als figuurlijk. Ove Kindvall deed op die memorabele avond in Milaan dan ook veel meer dan ‘slechts’ het winnende doelpunt (2-1) maken tegen Celtic.

Dat 020, de aartsvijand uit ‘020’, kort daarop tot driemaal toe diezelfde beker won, wordt in Rotterdam en wijde omtrek beschouwd als een voetnoot in de geschiedenis. „Die Amsterdammers hebben gewoon ons kunstje afgekeken”, tettert de uitbater van een fanshop zaterdag in zangerig Rotterdams door zijn megafoon, vlakbij de ingang van het Schielandshuis. Ook daar is het deze middag een drukte van belang, ter gelegenheid van de opening van de tentoonstelling ‘Feyenoord 100 jaar’.

Die interactieve expositie, onder meer samengesteld met materiaal dat supporters zelf ter beschikking stelden, toont de ontstaansgeschiedenis en heeft daarnaast vooral oog voor de vrolijke kanten van de club. Verwijzingen naar supportersrellen zijn niet te vinden in het Historisch Museum Rotterdam, terwijl ook die primeur op het conto van Feyenoord komt. Op 29 mei 1974 immers maakte Nederland tijdens de UEFA-Cupfinale Feyenoord-Tottenham Hotspur (2-0) voor het eerst kennis met wat later voetbalvandalisme werd genoemd. Met dank aan enkele duizenden dronken ‘hooligans’ uit Londen.

De jongste aanwinst in de geschiedenis van Feyenoord ontbreekt (nog?) in het Schielandshuis, maar zijn komst werd eergisteren met grote instemming begroet door het trouwe Legioen. De wieg van de moeder van de nieuwe trainer stond immers in Rotterdam. Zelf repte Gertjan Verbeek bij zijn presentatie over de bijna religieuze ervaring die hij als twaalfjarige onderging, toen hij voor het eerst de Kuip betrad. Die opmerking doet het altijd goed bij de achterban.

Verbeeks cv vermeldt verder dat hij ooit in de ring stond, en ook dat is een aanbeveling in de stad die zichzelf nog altijd afficheert als ‘de boksstad van Nederland’. Een oud-pugilist aan het roer in de stad die een andere oud-bokser, Bep van Klaveren (1907-1992), vorig jaar uitriep tot Grootste Rotterdammer? En dat in het jubileumjaar. Het seizoen 2008-2009 is nog ver weg, maar de verwachtingen zijn opnieuw torenhoog. Op 19 juli komen die tot ontlading.