
Aversie onder clubfans tegen Oranje geen Rotterdams fenomeen.
De achterban van Feyenoord heeft gemiddeld genomen weinig op met het Nederlands elftal, zo staat elders op deze pagina’s.
De KNVB doet er niettemin álles aan om een zo breed mogelijk fundament te leggen onder het ‘nieuwe Oranje’, dat na het komend Europees kampioenschap moet ontstaan.
De nieuwe technische staf vertoont daarom alle kenmerken van een poldermodel. Bert van Marwijk mag gerust een Feyenoorder genoemd worden. Van de beoogde assistenten is Coocky Voorn de representant van de provincie. Phillip Cocu waarborgt toch vooral het gevoel voor Eindhovense sentimenten en Frank de Boer zal voortaan het DNA van 020 afstaan in de dug-out van Oranje. Alle betrokkenen zullen het wellicht ontkennen, maar na het Amsterdams georiënteerde ‘kabinet Van Basten’ was het tijd voor een nieuwe wind. Ook die onuitgesproken wens pakte uit in het voordeel van Van Marwijk.
De lichte aversie tegen het Nederlands elftal moet overigens niet slechts als een in Rotterdam wortelend fenomeen beschouwd worden. Het vlaggenschip wordt sinds het einde van de jaren tachtig vooral gekoesterd door een combinatie van mensen uit de provincie, vooral uit het oosten, én niet hevig aan clubs gebonden voetballiefhebbers.
Dat heeft niet in de eerste plaats met de keuzen van de bondscoaches te maken. Het komt vooral door de mate waarin Oranje minder bereikbaar is geworden voor het ‘gewone’ publiek. Bij thuiswedstrijden en wedstrijden op WK’s en EK’s kom je eenvoudiger via sponsors of professioneel werkende, dure zwarthandelaren aan een kaartje dan via de sigarenboer. Gechargeerd gezegd, is Nationale Nederlanden in de beleving van een voetbalsupporter dominanter geworden dan de fanclub van het Nederlands elftal. Dat gevoel wordt tijdens het komende EK alleen maar sterker, wanneer Oranje zijn drie poulewedstrijden speelt in het stadion van Bern, waar krap 30.000 toeschouwers in passen.
Door die afstand tussen de gewone clubsupporter en het nationale elftal, is Oranje in de eredivisiestadions al lang niet meer zo’n populair gespreksonderwerp. In de vakken waar de fanatieke clubfans staan, is het zelfs ronduit ‘not done’ om blijk te geven van je eventuele sympathie voor het Nederlands elftal. In die ambiance wordt de entourage van ’slands beste voetballers gezien als het domein van mannen verkleed als oranje indiaan, als oranje sinterklaas, als oranje wegwerker, als oranje generaal en als bos wortelen. Die wereld staat mijlen ver af van de nogal wat rauwere gewoontes in de week in week uit bomvolle clubstadions.
Een supporter van Feyenoord, FC Utrecht of FC Groningen vindt, simpel gezegd, het korps van oranjeklanten een stelletje mietjes met wie hij nooit geïdentificeerd wil worden.
Hoewel die omstandigheid Oranje tot een instituut maakte, waartegen het eenvoudig schoppen is, ziet de KNVB zoiets niet als een probleem. Op reis door Europa en de rest van de wereld ontmoet het Nederlands elftal louter lachende ordehandhavers, tv-regisseurs zoomen verlekkerd in op roedels als kaasmeisjes verklede mannen, daar is security een opgelegde folklore en geen noodzaak. Bij de Engelse voetbalbond, dat dan weer wel, zouden ze willen dat het zo was.